dinsdag 28 juni 2011

Passerende Paasuren.

Vertrouwen.

Herinneringen waren rond,
soms kwakkelend en soms gezond.
Ze komen langzaam aangedreven
of schieten weg en schitteren maar even.

Het lijkt erop te duiden
dat, zoals klepels klokken luiden,
gebeurtenissen in't gemoed weerklinken
die je soms liever zag verzinken.

Zo ligt dan alles opgeslagen,
zowel je koene als je bange dagen.
Het is tegelijk ook wel sinister

dat je staat opgetekend in't register
tenzij je weet dat ogen die het lezen
niet oordelen maar wel genezen.


Rockstar.

Hoe staat vandaag mijn pet?
Wat scheef - hij kon ook ronder -
en hij wordt langzaam vet,
mijn haar past niet eronder.

Maar dit is niet bijzonder:
ik rook gewoon een sigaret
en door de rook lijk ik wat blonder
in't flitslicht met mijn klarinet.

Spelend op een kale vlonder
die de zaal in steekt als een tablet
met het publiek dat danst daaronder,

voel ik mij tof, boven de wet,
totdat plotseling de donder
mij in lichterlaaie zet.


Veel drukte om niets.

Begeerte, donk're raaf,
die aast op duizend dingen
die, als suikerspinsel om een staaf,
alweer ras verloren gingen,

omdat ik steeds maar draaf,
mij door de haast laat dringen
en door 't gebrek aan wijs conclaaf
in bochten mij laat wringen,

doet de stroom waaraan 'k me laaf
rondkolken in wijde kringen.
Maar in het wiel is hol de naaf

waarin vogels zingen.
En in het blauw, compact en gaaf,
bloeien de seringen.


Na de zondvloed.

Wanneer de wolken vloed uitbraken
die wijd opengooit de sluis
waardoor er vissen zwemmen tussen daken
en de ruimte vol is van gedruis

zal ik stil zijn als een muis
en geen kreet meer slaken,
vlak en effen als plavuis
zonder richting, doel of baken.

De aarde zal mij zijn tot kluis
die niet makk'lijk is te kraken
en zal dienst doen als een huis

waarin ik onbespied kan waken
tussen alg en larf en luis
onder een wolk vol draken.


Gedogen.

Daarnet stond je nog opgetogen
je mat te vlechten onder palmen.
Je had het heel goed overwogen,
een plek gevonden zonder galmen.

Maar weldra blijkt: je bent bedrogen:
een stortbui knakt de halmen.
Je rolt je lippen en je ogen
en hoort niet langer bij de kalmen.

Blijf nu niet langer talmen:
wat je ook wilt pogen
zal de pit doen walmen

en je koorts verhogen.
Laat nu vallen alle schalmen
en met je hoop is vrees vervlogen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten