donderdag 31 oktober 2013

Omgekeerd evenredig.

Meestal ben ik nogal bezig
om te zorgen dat iets klopt.
Daardoor raakt er veel afwezig
tot mijn doen en laten stopt.

Dan ben ik er dus niet meer
maar de waarneming keert weer
en ontdaan van alle ruis
toont zich nauwgezet mijn huis.

Ook gedachten met hun klachten
hoeven nergens op te wachten,
storten onbekommerd neer
als de regens in een meer.

Mijn gevoeligheid neemt toe
naarmate ik  minder doe.

Van nature.

Ik beschouw me als een vat
maar ben wellicht veeleer een gat
waarin duizend vaten rollen
en er stromen lava stollen
tot een helling van basalt
waarop veel te pletter valt.

Maar dit gat raakt nooit gekwetst
omdat niets ertegen ketst.
Van nature staat het open
voor wat stilstaat of gaat lopen,
voor een weegschaal in het groot
of een leven na de dood.

Dat ik naief ben of geslepen
zit er al bij inbegrepen.


woensdag 30 oktober 2013

Gegeven.

Dit moment, alreeds gegeven,
is wat er alleen maar is.
Door ernaar te willen streven
zorg ik toch dat ik het mis.

Soms drink ik een pint of zeven
voor dat ik eens iets beslis
maar dan zeg ik: "Wacht eens even,
het kan zijn da'k mij vergis:

Ik denk al mijn hele leven
dat er te beslissen valt,
wil met kogelen doorzeven
wie mijn levensvreugd' vergalt
maar word als een schim verdreven
als de ciderkurk knalt!"

Onderwijl.

Mijn vergaan komt in galop
want mijn uren raken op.
Ik vermeed tot nu de strop
maar de tijd komt dat ik stop.

Ik weet niet wat er dan komt
en heb me tevergeefs vermomd.

Mijn punten heb ik opgesomd
maar nu sta ik geheel verstomd
en zeg dan plotseling: "Verdomd,
ik word spoedig uitgegomd".

Onderwijl zie ik de maan
stralend aan de hemel staan.
Hij was er al voordat ik kwam,
schijnt na mij op schaap en lam.

dinsdag 29 oktober 2013

Kei.

Ik ga uit van mijn bestaan
als een braaf cartesiaan.
Daarom zoek ik naar een baan
en ik kijk graag naar de maan.

Maar als ik dat niet meer doe
zie ik toch nog steeds een koe
grazend in de weide staan
en een aap aan een liaan.

Dus dit zien kan zonder mij,
is van vreemde smetten vrij.

Het is uit zichzelve blij
en blijft roerloos als een kei.
Ook al weet ik dan niet hoe
ziet het reeds en wordt niet moe.

Pen.

Als ik dingen gadesla
geeft mij dat daarbij het leven.
Daar denk ik dan over na,
soms heel lang en dan weer even.

Maar al zijn de dingen niet
is er niemand die iets ziet
en dan is de stilte groot
in de armen van de dood.

Op de tafel ligt een pen
en ik denk dat ik die ken.

Dat ik die gedachte zie
vormt mij tot een relikwie
die dan uit dit zien ontstaat
en weer oplost, vroeg of laat.

maandag 28 oktober 2013

Processen.

In het water valt de regen
en de bladeren bewegen.
Wie er voor iets is of tegen
kruist met zijn rivaal de degen.

Niet altijd komt iets gelegen
maar het brengt maar zelden zegen
als een misstap wordt verzwegen.

Het zijn allemaal processen,
stollend tot herinneringen,
waardoor ik mij vaak laat flessen,
die mij geloven doen aan dingen.

Op een dag geef ik de geest,
maak geen inbreuk op het feest
want ik ben er nooit geweest.

Poeroesja.

Als ik ga van A naar B
is dat enkel een idee
want ik ben slechts waar ik ben
ofschoon het lijkt alsof ik ren.

Net zo denk ik dat ik denk
maar er is slechts een geschenk
van gevoelens en gedachten
waarop ik enkel hoef te wachten.

Vroeger heb ik mij bedrogen
en geloofd dat al mijn pogen
uit mijzelve werd bewogen.

Ik heb in feite nooit gevlogen
maar bezit slechts het vermogen
om wat opkomt te gedogen. 

Adamant.

Waar ik ook maar ga of sta,
nooit ben ik hierin abuis:
of het nu is of hierna,
't is op het snijpunt van een kruis.

Voor mij komt er steeds iets op:
Venus of een varkenskop.
Achter mij kan ik niets zien,
links en rechts iets vaags misschien.

Dit blijft steeds geheel constant.
Er is niets mee aan de hand,
tegen elke brand bestand,
onverwoestbaar, elegant.

Ook al valt een stad aan gruis,
dit staat vaster dan een huis.

Neerzit.

Er wordt sinds jaar en dag gevochten.
Zij die naar de vrede zochten
vormen slechts een minderheid
in het woeden van de strijd
die maar niet wil tanen
en ons overtreft met wanen.

Alles wat men maar probeert
om tot overleg te komen
ziet zich in een haard verkeerd
waaruit vuur en vonken stromen.

Totdat men neerzit op het land
dat ons opheft als een hand.
Rust die niet te vinden lijkt
is dan plotseling bereikt.     

Gewaad.

Onze taal kent wijze wetten
als een gids voor het bestaan.
Niemand kan haar ooit beletten
om haar eigen gang te gaan.

Zij vertoont zich ongekozen,
dient zich uit zichzelve aan.

Menig ding wordt uitgeplozen
en bevrijdt zich uit de waan.
Het kan geuren als de rozen
onder een ivoren maan.

Ons verstand met zijn gedachten
is uit haar gewaad gemaakt
dat soms neervalt na ons wachten
en wij naakt staan en ontwaakt.


vrijdag 25 oktober 2013

Reflectiebepalingen van het onmiddellijke.

Dat wat er direct al is
blijft iets wat ik telkens mis
want als ik het gadesla
is dat een moment daarna.

Dit moment is dus de tijd
waarin kennis zich verspreidt
die met hulp van het geheugen
voor een logica wil deugen
die zich inlaat mert een strijd
tussen werk'lijkheid en leugen.

Wil dit ook gelijktijdigheid
vormt zich ruimte uit de tijd
waarin vele sterren tronen
en miljarden mensen wonen.

Tegengif, *)

"Heel dit leven is een droom,
enkel een futiel symptoom
van een sterk misleide geest
die als echt ziet wat hij leest
in een prachtig prentenboek
dat hij opslaat in een hoek.
Dan maakt het dus geen verchil
wat ik doe en wat ik wil.
In het klein of in het groot
sla ik tenslotte niemand dood.
Alles is alleen maar denken
dat het leven blijft doordrenken."

Dit geldt ook voor dit idee.
Daarom kan ik er niets mee. 


*): "Laat het tegengif zichzelf bevrijden".
     Atisha Dipankara

Krater.

Zowel ruimte als ook tijd
hebben geen begin of eind
en daarin is elk feit
duidelijk en vast omlijnd.

Iets kan vierkant zijn of rond,
kort of vele jaren duren,
maar oneindig is de grond
en ontelbaar zijn de uren
waarin het altijd verschijnt
voordat het een keer verdwijnt.

Alles is er, alles staat er.
Elke bliksem slaat een krater,
nu eens vroeger dan weer later
maar het blijft als schrift in water.

donderdag 24 oktober 2013

Fles.

Voor mij staat een fles azijn,
ongeboren, soeverein.

Ik sta op en ga naar bed
maar als ik weer wakker word
lijkt er sprake van een wet
want een fles staat naast een bord
waar ik er een achterliet
met hetzelfde coloriet
van die van een dag tevoren.

Deze staat ook als een toren
en ik span nu snel mijn koorden,
goed geholpen door wat woorden,
om twee flessen te verbinden
die de tussentijd verslinden.

Val.

In mijn kamer is een vlieg
en die wil er dolgraag uit.
Zoals ik mijzelf bedrieg
bonst ook hij tegen de ruit.

Naast hem staat de deur wijd open
maar dat heeft hij niet gezien.
Zijn verdriet is opgelopen
en zijn wanhoop bovendien.

Toch blijft hij het stug proberen.
Wat niet kan wil hij proberen.
Enkel uit onwetendheid
levert hij een zware strijd.

Ik kan dit eenvoudig zien
maar zit in net zo'n val misschien.

Onvindbaar.

Wat ik onder dood versta
heeft steeds twee gezichten:

And'ren die ik gadesla
en die voor zijn aankomst zwichten
- hun ontbinding volgt weldra,
kort na hun ontwrichten -
geven blijk van zijn bestaan
en geschokt zie ik dit aan.

Als ik echter kijk naar mij
- want ook ik sta in de rij -
val ik nergens te ontdekken;
ik ontbreek op alle plekken.

Dus de dood zal mij niet vinden:
wat niet is kan niet verzwinden.

woensdag 23 oktober 2013

"Het".

Als ik geloof in iets als "het"
schep ik daarmee al een bed
voor een splitsing en een strijd
en een hoop onenigheid.

Als er namelijk iets is
is iets anders dat dus niet.
Er ontstaat een hindernis
in het oeverloos verschiet
en ik loop de vrede mis
met een kluitje in het riet.

Maar als ik dit geloof laat vallen
dan zijn allen weer in allen,
kunnen stromen eeuwig stromen,
vrij en niet vooringenomen.

dinsdag 22 oktober 2013

In het gelaat.

Op dit leven, uit een schoot,
valt een schaduw, levensgroot.
Het is de schaduw van de dood.
Die maakt alles idioot.

Alle moeite, alle zorgen,
zullen zijn vergeten morgen
want de angsten en de pijn
zullen er dan niet meer zijn.

Als dat allemaal zo is,
waarom maak ik mij dan druk?
Kan het zijn da'k mij vergis,
dat ik leef in het geluk?

Dat de dood niet meer bestaat
als ik die zie in het gelaat?

Onaangedaan.

Op de tafel staat een vaas.
Deze is mij ver de baas.
Hij blijft in mijn blikveld zweven,
boven mijn gedoe verheven.

Als ik hem de mijne noem
maakt dat niets uit voor de bloem
die ik er heb ingeplaatst
en het schemerlicht weerkaatst.

Ook het ademen houdt aan,
onbewust van mijn bestaan.
Als de bergen op de maan
zal het op zijn tijd vergaan.

Onverschillig voor mijn waan
blijven zij onaangedaan.*)


*):  "Das Gute ist in gewissem Sinne trostlos".
       Franz Kafka:"Betrachtungen".

maandag 21 oktober 2013

Schijn.

Er is komen, er is gaan
en de strijd om het bestaan.
Er is ruimte, er is tijd,
het gemekker van een geit.

Er is winst, er is verlies,
een kanarie en een nies.
Er is goed en er is kwaad
en een klok die negen slaat.

Er is het zijn en er is niets,
een mysterie en een fiets.

Wat  hebben zij gemeen?
Dat zij er alle zijn.
Hierin zijn zij een
maar zie: hun zijn is schijn.

=

De wereld is vergankelijk,
niet tegen de tijd bestand,
voor ondergang vergankelijk
want niets is er constant.
Geliefden zijn aanhankelijk
maar sterven falikant.

Is er dan niets te vinden,
bestand tegen de brand,
iets dat niet kan verzwinden,
dat langer duurt dan land?

O ja, toch wel, en dat is is.
Het is zonder bekommernis
en zelfs wanneer ik alles mis
is dat nog steeds wat er dan is.

zondag 20 oktober 2013

Regelrecht.

Ik zit te kijken door het raam
van een rustig restaurant.
Er is geen tijd dat ik mij schaam
en mijn hand ligt op een krant.

Dan valt mijn blik ineens tesaam'
met die van een and're klant
die, net als ik, bevrijd van blaam,
zich voor een ogenblik ontspant.

Er is een regelrecht contact
waaraan geen voor of tegen plakt.
Het gaat voorbij aan plan of tact
en is een onverwoestbaar pact.

Ik ga er verder niets van maken.
Dat zou kant noch wal maar raken.

Tijdspel.

Ik ben verzonken in een droom.
Plotseling verschijnt mijn oom.
Hij is al vele jaren dood
maar is er nu weer levensgroot
en draagt nog steeds de strooien hoed
waarmee hij mij ooit heeft begroet.

Hij blijkt altijd nog aanwezig
en is met zijn stropdas bezig
en hij drijft zo op de vloed
van mijn schouwen, onvermoed.

Als ik dan opnieuw ontwaak
zie ik weer, zoals zo vaak,
deze wereld om me heen
maar het is of zij verscheen.

Maas.

Als er een verlangen is
naar het volgende moment
wordt tot een gevangenis
elke staat of tent.

Door mijn onrust aangespoord
zoek ik naarstig naar een poort.
Hiermee ga ik aldoor voort.
Het is dit zoeken dat mij stoort.

Ik vermeen mij in een vaas
maar dit is alleen een waas
van illusie, mij de baas.

Het is onnodig dat ik raas
want de draden van het gaas
zijn de randen van een maas.

zaterdag 19 oktober 2013

Raak of mis.

Telkens moet ik overleggen
wat ik eigenlijk wil zeggen.
Dan wordt mij de mond gesnoerd
omdat de wereld roept en koert.

Ik raak gaandeweg verstomd
en loop, in gezwets vermomd,
weliswaar een tijdje rond
maar mijn spreken heeft geen grond.

Daartoe zou ik moeten zwijgen
maar het ongeduld blijft hijgen
en een aantal woorden rijgen
die mij tot de lippen stijgen.

Ongewild en raak of mis
is het dat dan wat er is.

Hoepel.

Soms voel ik me stram en stijf,
dan weer zwaar maar glad en soepel.
De signalen van mijn lijf
springen op als door een hoepel
terwijl ik verborgen blijf,
onnaspeurbaar in een koepel
waarin duizend wolken drijven
boven massa's and're lijven.

Dit heelal en ik zijn twee.
Aan haar spel doe ik niet mee.
Ik zou het weliswaar willen
maar blijf los staan van haar grillen
vind voor mij geen afzetpunt
voor een sprong of circusstunt.

Klaar.

Ik kan terug gaan in de tijd
door een waterval van dagen,
zuiver uit nieuwsgierigheid
naar hun oorsprong blijven vragen.

En, gesteld dat ik die vind,
is de vinder alreeds daar
die, nog sneller dan de wind,
staat te wachten, kant en klaar.

Net zoals in het verleden
is hij er ook heden.

Omdat hij er altijd is
heeft hij geen gechiedenis.
Daarom is ook alles fris
en ontbreekt een hindernis.

vrijdag 18 oktober 2013

Alomvattend.

Ik heb mij nog nooit gezien
dus kan ik van alles zijn:
een bultrug of een vlieg misschien
of een bollend baldakijn.

Meestal echter denk ik dat
ik iets ben zoals een vat.
Daar kan dan van alles in
tot het reikt tot aan mijn kin.

Daarna kan er niets meer bij
en ben ik vol en niet gastvrij.
Voorts schep ik er ook wel uit
tot ik op de bodem stuit.

Maar als ik mij zie als ring
omvat ik al terwijl ik zing.

woensdag 16 oktober 2013

Vergoeding.

Ik ben van ongemak vervuld
want ervaar altijd weer schuld
als ik berichten krijg van sterven
terwijl ik mijn dag blijf erven.

Zonder invloed zie ik toe.
Ik wil helpen, weet niet hoe.
Laatst zag ik een school met vissen
die vandaag in pannen sissen
en de grote levensboot
vaart voortdurend naar de dood.

Dit weerhoudt geen dak of brood,
kwijnen zal de laatste loot.
Gelukkig mag ik terugbetalen
als ook mij de dood komt halen.


Bries.

Als ik "zijn" zeg zeg ik stromen
dat, nergens vandaan gekomen,
stroomt door bomen en fantomen.
Zelfs de bomen zelf stromen.

Zeg ik "het zijn" is't een ding
dat, als een herinnering,
telkens maar weer terug blijft komen,
in mijn waken en mijn dromen.

Als een ding kan ik het hebben.
Het verstrikt mij in zijn webben
maar ik kan het ook verliezen,
wat gebeurt als ik moet niezen.

Hierin valt er niets te kiezen
en ik bries naast mijn valiezen.

Deemoed.

Hoe komt het dat ik niet vertrouw
op wat iedereen kan doen?
Omdat ik trots ben als een pauw
en slechts denk aan mijn blazoen.
Ik ben de hele dag in touw,
voel mij stiekem kampioen.

Ik schep mijn gevangenis,
denk dat er niets anders is,
klaag over die hindernis
terwijl het mijn toevlucht is.

Maar mijn straftijd zal verlopen
en dan valt de wereld open.
Zonder geld om iets te kopen
zal mij dat tot deemoed nopen.

dinsdag 15 oktober 2013

Vuurtje. *)

In mijn uitgestrekte hand
is een lucifer die brandt
en die houd ik bij een krant
die gaat vlammen aan de rand
om een vuurtje aan te steken
en wat warmte af te smeken
op het donkergrijze zand
waar ik heden ben beland.

Dan laat ik dit houtje los,
wil niet branden als een bos
want ik heb mijn leven lief
en verschaf het graag gerief.

Deze liefde is er al,
heb ik verder niet bedacht,
is er zelfs nog als ik val
en blijft branden dag en nacht.


*): "Boeddhanatuur is het loslaten
       van een lucifer
       die je vingers begint te branden."

- De Eerwaarde Khandro, Rinpoche.

Het goede, het ware en het schone.

Ik heb lange tijd gezocht,
mij gewrongen in een bocht,
mij begeven op een tocht
en gespeurd in elke krocht
om een richtsnoer te ontdekken
dat mij leidt op alle plekken.

Maar ik bleef mezelf bevlekken
en belandde tussen gekken,
was niet beter dan de vrekken
en wist lachlust op te wekken.

Ik heb mij sindsdien beperkt
om te kijken naar wat werkt
en te merken wat er deugt.
Dit verschaft mij tevens vreugd'!  

Alledaags.

Als het uur van sterven komt
wordt de wereld uitgegomd:
wensen, wil en het verstand
en de omtrek van mijn hand.

Alle tastbaarheid vervliegt.
Er is geen windje dat nog wiegt,
geen gezichtsbedrog dat liegt
na de allerlaatste biecht.

Dan raak ik dit alles kwijt.
Dit gebeurt de hele tijd,
telkens als ik val in slaap
voordat ik mijzelf opraap.

Of alleen maar als ik gaap:
dan is er geen schip of schaap.

maandag 14 oktober 2013

Vlaag.

Als ik een stoel zie zeg ik stoel.
Zo ben ik er snel vanaf
en ik weet wat ik bedoel,
scheid het koren van het kaf.

Ik doe hetzelfde ook met mij.
Het is weliswaar rijstebrei
maar ik noem die toch maar ik
ofschoon ik daar vaak van schrik.

Het wordt anders als ik vraag.
Dan wordt alles nogal vaag.

Als ik mij, zoals vandaag,
aan een speculatie waag
wordt de wereld tot een vlaag
of verandert in een laag.

13 oktober 2013

Vele uren valt de regen
met een dicht gedruis omlaag.
De rivieren zijn gestegen
want de regen valt gestaag.

Met zijn ongewenste zegen
maakt hij ons te nat vandaag.
Ik heb mijn bekomst gekregen
van de trage waterplaag
want hij komt te ongelegen
overstijgt al lang de vraag.

Ook als ik mijn klachten spui
gaat haar massa niet opzij.
Het is een waterdichte bui
en er kan geen druppel bij. 

zaterdag 12 oktober 2013

Bedeesd.

Als ik mij niet meer bemoei
met het woelen van mijn geest
laat ik toe dat ik vervloei
en uiteenval tot een feest.

Zo, bevrijd van elke boei,
als een oog dat niet meer leest,
is't onnodig dat ik roei.
Ik raak van mijzelf verweesd.

Maar misschien word ik een beest
of een beul in volle bloei.

Hiervoor telkens weer bevreesd
zorg ik dat ik knip en snoei,
in mijn wellust wel het meest,
maar zij is er: oei oei oei!

donderdag 10 oktober 2013

Auto.

Ik lijk telkens meegevoerd
door de geest die mij beroert
omdat ik vergeten ben
dat ik mijn gedachten ken.

Als ik zien kan wat ze zijn
zijn ze vrij van angst en pijn.
Ze komen op en gaan weer heen,
elk van hen is fenomeen.

Ik die alles gadesla
wil ze meestal achterna
maar ik ben niet eens van mij.

't Is als een auto in zijn vrij:
ook al geef ik steeds meer gas,
hij blijft staan waar hij al was.

Nergens meer.

Er is een aantal woorden
die vaker dan de rest
mijn horizon omboorden
waardoor ik word geflest.

Het woord "ik" is daarvan koning.
Het kiest overal zijn woning
en verwacht steeds een beloning.
Het vindt zichzelf zo zoet als honing.

Toch is het alleen een woord,
doch met regelmaat gehoord.

Aldus herkend verdwijnt zijn dwang.
"Ben ik te vroeg of soms te laat?":
dat blijkt een gedachtengang
diedan nergens meer op slaat.

Lans.

Ik heb steeds een doel voor ogen
en mijzelf daarmee bedrogen
in de zin dat ik steeds mis
wat er eigenlijk slechts is.

Telkens streef ik naar voltooiing
en naar ruimte voor ontplooiing
maar het is dit streven zelf
dat als fresco het gewelf
van die verhoopte ruimte siert
en zijn eigen lijnen viert.

Ik maak ook gen schijn van kans
om te zien mijn eigen dans
net zo min als dat een lans
zich kan gaan doorboren thans.

Dan.

Ik ben altijd onderweg
en heb dus steeds iets voor de boeg,
pleeg regelmatig overleg
en krijg nog altijd niet genoeg
van wat ik hoor en wat ik zeg
want ook nu is het te vroeg
om mijn bestaan te overzien
of het doel waartoe ik dien.

Dit gebeurt pas op het uur
waarop mijn tijd vervliegt als vuur
en mijn bestaan wordt afgerond
in een ruimte zonder grond.

Dan wordt het geheel weerkaatst,
voor het eerst en voor het laatst.

woensdag 9 oktober 2013

Gewacht.

Ik pak uit de kast een boekje
dat ik lang niet heb gezien
Nu breng ik het een bezoekje,
nu pas na een jaar of tien.

Aan de kaft ontbreekt een hoekje,
de heldin heet Clementine,
en er is een vlek te zien
op bladzijde zeventien.

Dit is nog steeds zoals het was.
Daarmee loopt het in de pas
van een vast en strak stramien.

Het heeft de kleur van aubergine
en heeft trouw op mij gewacht
terwijl ik deelnam aan de jacht.

Amper.

Alles gaat al zoveel jaren
op dezelfde wijze voort.
Ik blijf drijven op de baren
en vloei voort van poort tot poort.

Als een rollende klos garen
die maar ronddraait, ongestoord,
kan ik mijn draden niet bewaren
en verlies mijn levenskoord.

Als ik zo maar rond blijf varen
sla ik eenmaal overboord.

Zo beneden en zo boven,
zo bekend en zo vertrouwd:
toch kan ik maar amper geloven
dat het leven zich ontvouwt.

Weg.

Telkens val ik terug in wanhoop
want ik zie over het hoofd
dat ik steeds weer uit het land loop
dat mj nochtans werd beloofd.

Dit is de vertrouwde aarde
die mij in dit leven draagt
en die hele steden aarde,
rotsen en spelonken schraagt.

Deze aarde heeft geen grenzen,
daarom ben ik nooit echt weg.
Ik kan springen als de gemzen,
lig dan weer waar ik mij leg,
en kan soms behoorlijk drenzen
als ik geloof wat ik dan zeg.

Vanaf de maan.

Op mijn pols is ereen plekje,
slechts een onbeduidend vlekje,
omdat ik mij heb geschramd.
Ik weet niet eens waarvan het stamt.

Maar daarbinnen is het rood
en zijn de consequenties groot.
Vele cellen slaan alarm
en het is er druk en warm.

Als mijn oog dit wondje ziet
voel ik mij een hele Piet
maar vanaf de verre maan
ziet men mij geheel niet staan.
Ik ben nietig op de globe,
kleiner nog dan een microbe.


De Vliegende Hollander.

Waar ik ook maar ga of sta,
er is altijd iets te zien
in een circus of een la
of een glanzend vliegmachien.

Alles laat zijn sporen na,
geeft wat frisse moed misschien
ook al komt de twijfel dra.

Maar dan werpt een aubergine
onverwacht zijn warme kleur
zonder weerga door de deur.

Ik bevrijd me van mijn vloek
en hoef nergens naar op zoek,
vind magie in elke hoek
van des levens prentenboek.

dinsdag 8 oktober 2013

Amper.

Alles gaat al zoveel jaren
op dezelfde wijze voort.
Ik blijf drijven op de baren
en vloei voort van poort tot poort.

Als een rollende klos garen
die maar ronddraait ongestoord
kan ik mijn garen niet bewaren
en verlies mijn levenskoord.

Als ik zo maar rond blijf varen
sla ik eenmaal overboord.

Zo beneden en zo boven,
zp bekend en zo vertrouwd.
Toch kan ik maar amper geloven
dat dit leven zich ontvouwt.

maandag 7 oktober 2013

Bericht.

Ik ontvang een slecht bericht:
alle poorten zijn al dicht.
Nu sta ik dus mooi op straat
want ik ben vandaag te laat.

Toch is het in die zin goed
dat het mij zegt wat ik moet.
Het gooit in mijn eten roet
maar is iets wat er toe doet.

Hierop kan ik mij bezinnen.
Ook al valt er niets te winnen
kan ik hoe dan ook beginnen
om te denken aan het linnen
van het zachte beddengoed
waarvan ik de geur inboet.

Spaak.

Heel het leven lijkt een zaak
waar ik mij steeds druk om maak
alsof het hier gaat om een taak
waarmee ik een zenuw raak
met een vreselijke haak
waardoor ik mijn kreten slaak.

Dit gebeurt mij wat te vaak
tot ik tot het inzicht naak
dat het goed is dat ik staak
en daardoor mijn code kraak,
tot mijn ware aard ontwaak
en een grote vreugde smaak.

Zo ontkom ik aan de wraak
en er loopt nu niets meer spaak.

Duizend Watt.

Ik zeg vaak dat het wel gaat
maar ik ben meestal te laat
of ik kom juist veel te vroeg
omdat ik talm en dan weer zwoeg.

Zelden ben ik zo ontspannen
dat ik mij niet ga vermannen
maar verblijf in het vertrouwen
en mijn angsten openvouwen.

Dan ben ik in het moment
dat geen tijd en twijfel kent
of een hier of daaromtrent.

Dan is er alleen maar dat
waaruit licht in vonken spat
als uit een lamp van duizend Watt.

Koket.

Ik dacht slim te zijn en leep
en dat ik alles goed begreep,
dat ik kende elke kneep
en het klappen van de zweep,
totdat er een dikke streep
door de reek'ning werd gehaald
en ik naast de opbrengst greep
want ik had nog niet betaald.

Ik stond nog altijd aan de lijn
en beschouwde zo het zijn
waardoor ik er buiten bleef,
op een plek waar ik nog streef.

In plaats van er in op te gaan
draai ik rond zoals de maan.

Schuur.

Als ik afzie van de duur
dan begint een avontuur
zonder oorzaak en gevolg
die ik immers reeds verzwolg.

Alles wordt dan even puur
en gereinigd in het vuur
op dit meest verheven uur
waarin ik niet dwing of stuur.

Dit is de ultieme kuur
die verleent zijn signatuur
aan de wingerd op de muur
van een ingestorte schuur.

Alles staat als toegevroren.
Daardoor gaat er niets verloren.

Aal.

Alles wat ik nederschrijf
is alleen maar tijdverdrijf
vanuit het rustige verblijf
van mijn stug volhardend lijf.

Wat ik schrijf is soms wat stijf
want, gevangen in een schijf,
blijf ik steken waar ik wrijf
aan het woord waarop ik drijf. 

Ik begeef mij in de taal
en die stelt mij perk en paal.
Zij is zacht en sterk als staal
en toch gladder dan een aal.

Rechter dan een lineaal
zegt zij nooit iets helemaal.






zondag 6 oktober 2013

Schuim.

Voor mij staat een fietsenrek
met zijn rechte spijlen.
Elke spijl staat op een plek
waar niets anders kan verwijlen
en daartussen is het ruim
als in belletjes van schuim.

Deze ruimtes, niet zo gek,
zijn een deel van 't hele rek.
Zij markeren, links en rechts,
spijlen door hun nietszijn slechts.

Vorm en ruimte werken samen
in een wederzijds beamen
en zijn beide net zo ruim
als de bellen van het schuim.

donderdag 3 oktober 2013

Smak.

Voor mij staat een pan met rijst
waardoor ik word opgeÃĢist.
Hij staat rustig op het vuur
en nu let ik op de duur
van de vlammen tot zes uur
want dan zijn de korrels gaar
en de hele pan is klaar.

Nu ik naar de wekker staar
zie ik ook een lege dop
die ervoor ligt op zijn kop.
Dus pak ik hem gelijk maar op,
werp hem in de vuilnisbak
die zich opent als een wak
en weer dichtvalt met een smak.


Cittamatra *).

Op een onbeschreven blad
vormt zich af en toe een spat
die eruit ziet als een gat
in de blankheid die het had
maar dat gat, zo zichtbaar hier,
is gemaakt van het papier
waarop getekend wordt een dier
of een deksel op een kier
en gefascineerd door dat
zie ik niet meer langer wat
het nog steeds in feite is:
vormen waar ik witheid mis.

Hiervan ben ik mij gewis
hoewel ik mij steeds vergis.


*): "Cittamatra" (Skt.) - "Enkel geest".

Deegwaar.

Op de vloer ligt er een haar.
Maar is dat ook echt wel waar?
Want al zeg ik: "hij ligt daar!"
vraagt mijn huisgenote: "waar?".

Dus wellicht is het mijn oog
dat mij deze keer bedroog
of is het mijn vriendin misschien
die hem echt niet heeft gezien?

Plotseling is er een vlaag
van een onverwachte wind
en voor eeuwig blijft de vraag
waarop ik geen antwoord vind:

was die haar nu echt wel daar
of haar "waar?" wel degelijk waar?



.

Spion?

Als ik weg ga uit de zon,
maak ik mij dan tot spion?

Ik trek mij weliswaar terug
en haal op daarmee de brug
die mij bindt met wat bestaat
en mij in de ruimte laat.

Maar die ruimte heeft geen grond
en is nergens afgerond.
Hij is als een open mond
voordat er een klank ontstond.

Zonder mij nog te bekwamen
val ik daar geheel mee samen.
Niemand zoekt er, niemand wenst er.
Daardoor ben ik slechts een venster.

woensdag 2 oktober 2013

Frequent.

Soms komt een prikkel  heel frequent
en ik noem die daardoor diep
waarmee ik dus co-emergent
afstand in het leven riep.

Alles wat zich voordoet vaak
veroorzaakt dat ik ruimte maak.
Deze is nog steeds idee
dat zich uitbreidt tot een zee
van planeten en spiralen
als een vangnet voor mijn dwalen
en zo blijven er verhalen
zich in vorm en maat vertalen.

Is het u nog nooit verteld?
Ruimte is de tijd die af en toe driedubbel telt.


Geleden.

Het is een tijd geleden
dat ik zo heb genoten.

Ik kijk vanuit dit heden
en leef nog onverdroten
want heb geheel geen keus,
met ogen naast mijn neus,
om steeds weer te aanschouwen
wat zich blijft ontvouwen.

Toch noemde ik "geleden"  
toen ik sprak over tijd.
Dat leed niet wordt vermeden
lijkt hierdoor een feit.

Dan is dus leven het vermogen
om het lijden te gedogen.

dinsdag 1 oktober 2013

Ontcijferend.

Heel het leven is een slag
in een beperkte tijd.
Deze krimpt van dag tot dag,
verstrijkt zonder respijt.

De lading dekt geen vlag,
hier helpt geen vlijt of strijd.
Langzaam ga ik overstag
en raak straks mijn lichaam kwijt.

Ofschoon ik niet klagen mag
heb ik  heel wat spijt
maar betaal gelag
waardoor ik word bevrijd.

Ik viel in't gat en bijf er
opdat ik mij ontcijfer.

Zojuist.

Wat zat ik zojuist te denken?
Moet ik daaraan aandcht schenken?
Het is immers al voorbij
en dus nu niet meer van mij.

Ik verleen het heerschappij
en het laat me niet meer vrij
als ik toegeef aan zijn wenken
en het kan me weldra krenken.

Dus houd ik het niet meer bij,
heb zo steeds een schone lei
waarop constant wordt geschreven
maar het blijft altijd maar even
want van dromen is het leven
dat steeds gratis wordt gegeven.