vrijdag 4 mei 2012

Madonna van Alba.*)

U woont in een wijde kogel
waarin het altijd zomer is
op een zoele avond als de vogel
rondzweeft zonder nis.

U werpt uw blikken in de verte
maar die keren ook weer terug.
Als moeder van het al is u geen ster te
snel, geen kinderspel te vlug.

Speels ligt er tule op uw hand
als een transcendent verband
en werpt uw Zoon, de maker van het al,
zijn blik de Uwe na, binnen dezelfde bal

die ook de Doper nog omvat,
volmaakter dan een parel, gesloten als een vat.

*): Schilderij van Rafael.






Orchidee.

Voor Jeannine Suurmond en Nelleke en Doris Heierman.

De hele winter stak zij dood
haar loten in de lucht.
Het leek dat al haar leven vlood,
wat overbleef was klucht.

Nu gaan haar knoppen zwellen
zelfs aan een geknakte tak
als wil zij mij vertellen:
ik nam je op de hak
door mij als brandhout voor te doen,
maar dat was enkel toen.

Nu kom ik je verrassen
met bloemen die goed passen
bij je winterse gehechtheid
want je wilde mij niet kwijt.

Leven.

Ik streef ernaar om leeg te worden:
dan is er niets meer aan de hand.
Verwijderd alle borden
en enkel zee nog zonder strand.

Niets valt er dan te maken,
geen noot om nog te kraken.
De myriaden smaken
vliegen op als draken.

Dan zal de stellige diaken
zijn dogma staken
en maakt het de notaris
niet meer uit wat waar is.

Een ding ontgaat mij echter al:
de leegte is reeds het geval
en valt dus heel niet na te streven.
Dit streven noemt men leven.


Stilte.

Ik ben verbouwereerd
door wat er op komt dagen.
Ik doe van alles dan verkeerd
en heb geen antwoord op de vragen.

Het daagt niet enkel in het oosten
maar ook achter mijn rug.
Ik ben verward als ik moet toasten,
de wereld gaat te vlug.

Zo gaat het ook van binnen
waarin de driften drukken.
Ik kan niet meer verzinnen
te strekken of te bukken.

Dan zit ik roerloos als een fluit
en mond in stille stilte uit.


Emmer.

Nog steeds vergeet ik dat er is
de ongeboren ruimte.
Er is daar plaats voor hindernis,
voor schaamte en voor schuinte.

Wat er zich in voordoet
is ervan gemaakt,
of het nu bitter is of zoet,
in bont gehuld of naakt.

Ik verlies dat uit het oog,
gefascineerd door lijn en boog
van wat zich door het zwerk bewoog
en of het laag of hoger vloog
waardoor ik mijn begrip belemmer
want vol of leeg: hetzelfde blijft de emmer.

dinsdag 1 mei 2012

Onwetendheid.

Hoe zalig toch om niets te weten!
Er valt dan niets te meten.
Dit en dat totaal vergeten
en daarom ook geen keten
want die vergt tijd
om gelegd te kunnen worden.
Al ben ik ook bereid
te nemen alle horden,
er rest dan slechts vergetelheid
waarin verwachtingen verdorden.

Geen wroeging ook of spijt
of wapens te omgorden.
Ontmanteld alle nijd,
onleesbaar alle borden.

Misschien dat iets nog vliet
maar niemand die dat ziet.
Vreugde en verdriet
gaan hand in hand te niet.

Blinde muur of ver verschiet
zijn belangwekkend voor geen biet.

Onhoorbaar klinkt het lied
in onbekend gebied
van een wakkere parkiet,
kwetterend en kierewiet.

Lichaam.

Mij is verteld dat er atomen
voor een moment zijn saamgekomen
om mijn lichaam nu te vormen
voordat het voedsel wordt voor wormen.

Zij zijn op dit moment bijeen
maar vliegen aanstonds heen
naar onvermoede verten,
onnavolgbaar speels als herten.

Wat maak ik mij toch druk
als de grond voor mijn geluk,
dit lichaam dat ik aldoor koester,
steeds leger wordt en woester?

Met de benen wijd gespreid
valt het uiteen in eeuwigheid.

Toch is het altijd nog gelukt
dat het zich uit chaos rukt.
Wat zich strekt en bukt
is wat ook de vruchten plukt.