donderdag 4 juni 2015

Coproductie.

Er is steeds een coproductie
van wat ik als mijn geluk zie
en van wat mij overkomt,
waarvan soms mijn voet zich kromt.

Door mijn wensen en mijn fictie
ontstaan ongemak en frictie
want de werk'lijkheid is anders.

Daardoor krijg ik het benauwd
en de glans van waterlanders
heeft mijn oog en wang bedauwd.

Het verschil van zijn en schijn
is de oorzaak van veel pijn.
Toch is deze altijd rein,
zonder grond en soeverein.


Vrees.

Het vertrouwen is verbroken.
Nu ben ik van jou verstoken,
mis je blikken, mis je stem,
en zit in mijn onmacht klem
want je ogen zijn geloken
maar je zit wellicht te koken.

Laat je eenmaal los je rem
zal ik, nu nog weggedoken,
door je blik worden doorstoken,
moeten horen naar je stem
die het laatste oordeel heeft
en mij scheidt van al wat leeft.

Jouw zwaard vrees ik, dat nog zweeft,
tot het mij de nekslag geeft.

Door de mand.

Ik viel bij je door de mand
en nu bijt ik in het zand.

Niet meer langer elegant
toef ik aan de zelfkant
van mijn troosteloos bestaan
want ik deed je 't ergste aan
wat een mens kan overkomen:
ik vernietigde je dromen
van een mens, geheel oprecht:
in een oogwenk werd hij slecht.

Hoe ik ook maar strijd of vecht,
deze wond wordt niet gehecht.
Ik zit hier als satan's knecht
die nog slechts dit versje vlecht.

dinsdag 2 juni 2015

Tevree.

Ofschoon ik niets heb gedaan
breekt er vandaag vrede aan.
Alles blijft zoals het is
maar er is niets meer mee mis.

Dingen komen, dingen gaan
en 't is bijna volle maan.
Zonder dat ik dit beslis
komt de dood geheel gewis.

Nu heb ik er vrede mee
zonder dat ik iets maar dee
en zit rustig, heel tevree,
aan de tafel met mijn thee.

Er is sport op de teevee
en 't valt allemaal wel mee.

Galop.

Alles gaat steeds maar voorbij.
Zelfs geen restje blijft bij mij
van wat ik verworven heb:
op termijn blijkt alles nep.

Dit is toch maar al te waar
maar ik leef er heel niet naar.
Telkens hoop ik iets te krijgen
door mijn spreken en mijn zwijgen.

Wanneer geef ik dit eens op?
Het is beter dat ik stop
met nog iets maar te proberen.

Laat ik nu het leven eren
dat zich voortspoedt in galop
en geen vrees zal mij dan deren.

maandag 1 juni 2015

Laten varen.

Golven slaan steeds op de kust,
worden door het land gekust.
Liever laat ik dat met rust:
ook de zon wordt niet geblust.

Evenzeer is het verwaten
om een ander's doen en laten
te gaan meten met mijn maten.
Beter kan ook dat ik laten.

Rest nog wat ik zelf steeds doe.
Daarvan word ik maar niet moe
en mijn denken stroomt maar voort,
door zichzelve ongestoord.

Als ik dat kan laten varen
zal geen onvree mij bezwaren.



Op straat.

Ik heb je ineens bedrogen.
Hoe kun jij mij langer mogen?

Dus, in weerwil van mijn pogen
om je nog bij mij te houden,
verdwijn jij nu uit mijn ogen,
laat mij achter in mijn wouden,
vol van wroeging en verdriet,
in gezelschap van dit lied.

Ik zou alles willen doen
opdat ik jou weer verzoen
maar daarvoor lijkt het te laat
en zo sta ik nu op straat
waar de ruimte blijft gedogen
tranen die niet zijn te drogen.