maandag 30 november 2015

Momento mori.

Ik tel vaak de dagen af
tot mijn geld weer wordt gestort.
Maar intussen komt mijn graf
nader want de tijd wordt kort.

Alles wat mijn hart begeert
zal dan weg zijn of verteerd.
Wat ik zorgzaam heb beheerd
wordt door muizen omgekeerd.

Dan heb ik geen hand meer over
die nog langs mijn voorhoofd strijkt
en mijn schedel wordt zo pover
dat hij dra op niets meer lijkt.

Aan het einde komt de tover
die nu nog met luister prijkt.

Carpe diem.

Er is een predicament
als gepend op perkament:
wat ontstaan is moet vergaan.
Daar is geen ontkomen aan.

Toch is dat niet permanent.
Ofschoon het signalen zendt
worden die toch vaak vergeten
als ik drink en bij het eten.

En dan zeg ik: "Pluk de dag!"
Dit maakt van plezier gewag
en fungeert daarmee als vlag,
angst maskerend met een lach.

Soms is er ook diepe slaap
of verveling als ik gaap.

Paf.

Ik sta paf van mijn geheugen:
altijd kan er nog meer in.
Zowel logica als leugen
worden er herinnering.

Wat het bergt noem ik verleden.
Dat zijn slechts drie lettergrepen
die nochtans een zee bekleden
waarin telkens nieuwe schepen
vol ervaren binnen varen
zonder einder te ontwaren.

En soms stelt het toch niets voor.
Dan gebeurt er tussen door
dat iets wat mij lang deed zweten
in een oogwenk wordt vergeten.

Zonder liefde.*)

Zelfs als ik mijn lichaam gaf
om vandaag nog te verbranden
blijf ik aan de bedelstaf,
vastgemaakt met hechte banden.

Ook wanneer ik hymnes zong
met de zoetste engeltong
maakte ik nog niet de sprong
die mij aan mijn smart ontwrong.

Want ik kan dit zonder liefde.
Het kan zijn dat ik je griefde
omdat ik niet aan je dacht
toen ik ruw en onverwacht
jou met mij kwam overladen
en jou in mijn lust wou baden.


*): "Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.
En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven."
1 Korinthiërs 13, verzen 1, 2 en 3.

zondag 29 november 2015

Een is geen.

Enkelvoudig als een steen
zijn de dingen alle één.
Dus valt er niets te vergelijken
want het andere moet wijken.

Ook is er geen tweede tijd
die een durend nu vermijdt,
geen begin of resultaat,
niet zoiets als regelmaat.

Daarmee ook geen goed of kwaad
of de kans dat iets vergaat.
Geen beschouwer die het ziet,
anders was die eenheid niet.

Daarom is die ene steen
voor 't ervaren gelijk aan geen.

Een ding tegelijk.

Onverschillig wat ik doe,
het verhinderd dat ik mij
inlaat met een ratjetoe
van mentale rijstebrij.

Ik kan maar één ding tegelijk.
Als ik naar een kievit kijk
zwindt daarmee een koninkrijk
en mijn argwaan neemt de wijk.

Daarom blijf ik bij de adem
die ik met mijn lijf omvadem.

Deze gaat steeds op en neer,
dit herhaalt zich elke keer.
Ik verheug me in zijn ritme
want zijn regelmaat ontklit me.

De verlokking van de overgave.

Opdat ik mij niet beschave
in een eindeloze tijd
kies ik voor de overgave,
dit moment en zonder strijd.

Maar de vraag blijft nog wel staan,
onbeantwoord: "waar dan aan?"

Aan een hoogverheven wezen,
niet te vinden, onbewezen,
of een dogma, uitgelezen,
of een arts die kan genezen?

Aan mijn neus die ik moet snuiten?
Ik kan dit maar niet besluiten.
Mij lokt dikwijls nog het meest:
aan mijn borrelende geest.