zondag 30 september 2012

Verslag.

Ik ben geworpen op een strand,
daar is van alles aan de hand.
De hele wereld staat in brand
en ik daarbinnen, falikant.

Er valt hier niets te blussen
want het water wolkt intussen
in het zwerk met losse lussen
slechts om mij vaarwel te kussen.

Ik ben panisch, niet te sussen,
kijk vertwijfeld naar de mussen
die vervliegen aan de rand
van het losgeslagen land.

Onbeholpen, klaar met klussen,
grijpt mijn hand een beetje zand
en uit omgevallen bussen
stroomt naar buiten mijn verstand.

Maar dan zie ik het verband
tussen de stranden en mijn ogen
die mij niet hebben bedrogen,
kijkend uit de binnenkant:

De hele wereldwijde zee
komt slechts met mijn ogen mee
en het bulderen van vuur
heeft slechts in mijn oren duur.

De vele walmen zonder keus
worden geroken door mijn neus
en wat ik proef is zonder sprong
niet te scheiden van mijn tong.

De korrels waar mijn hand door woelt
worden door mijn hand gevoeld.
Die dingen neem ik een voor een
en kneed ze tot geheel ineen.

Dat noem ik mijn ervaring
en neem dit als verklaring
voor hoe ik mij dan voel,
waarop ik wring en woel.

Vanuit een verzonnen stoel
wordt dit geweten zonder doel.





Veters.

een navertelling. *)

Een grote meester, welbekend,
hield een bijeenkomst in een tent.
Men was van verre toegestroomd
en had sinds lang van hem gedroomd.

Sam was van extra ver gekomen
en had een voettocht ondernomen
om de grote man te zien
en nog zei hij: " 't Is meer dan ik verdien."

Bij de bijeenkomst keek hij naar beneden
terwijl de tellen een voor een vergleden.
Toen het voorbij was had hij niets gevraagd
en Moos vroeg: "Waarom heb je 't niet gewaagd?"

"Ik zag genoeg", zei Sam terwijl hij op blikte,
"ik zag hoe hij zijn veters strikte".


*): Naar Martin Buber's "Chassidische Vertellingen".

Spiegel.

Ik maak alles dubbel:
geschitter en gestrubbel
en het wijdste vergezicht
treden bij mij in het licht.

Ik ben ieders vriend
en maak blindheid ziend
door de intrinsieke grap
waarmee ik tot hen stap.

Zij kunnen zich nooit zien,
dat is nu juist waar ik toe dien.
Zo geef ik hen de hele tijd
een vleug identiteit.

Toch is dit nooit reƫel
maar enkel visueel.

zaterdag 29 september 2012

Gevonden.

Eens, op een nacht,
zat ik gevangen in een schacht:
ik was omhoog gestoven
maar kon niet door naar boven
en toen ik naar beneden keek
werd ik misselijk en bleek
want ik zag een diepe oven,
ook al kon ik het niet geloven.

Hoe kon ik een uitweg vinden?
Al mijn gidsen waren blinden.
Ik was omsingeld en verloren
en goede raad liet zich niet horen.

Ik was doordesemd door de angst,
die duurt in zo'n geval het langst.

Zo had ik toch nog iets gevonden
waarin ik mij kon gronden
en toen ik dat wat langer deed
was daar een vergeten leed
dat zelf van geen zorgen weet
maar enkel maar kan bloeden
uit onvermoede vloeden
en voor val behoeden. 

Dichterbij.

Soms moet ik wijken voor bederf
en kan het lijken dat ik sterf.
Ik moet verlaten huis en erf,
kan zelfs niet klampen aan een nerf.

Dan krijg ik een goed bericht:
de ziekte is weer uit het zicht.
Dus heb ik weer respijt
en voor hernieuwde actie tijd.

Met frisse moed en opgelucht
kan ik terugzien op een klucht.

Wat mij hierbij dan ontgaat
is dat mijn laatste uur nog staat:
ondanks mijn rijke dromen
is het dichterbij gekomen.

Gezien.

Ik ben verwikkeld in een strijd
waarvoor vereist is al mijn tijd.
Dit duurt nu al een eeuwigheid
ondanks alle list en vlijt.

Ik durf die maar niet op te geven
want dan vrees ik voor mijn leven.
Ik blijf nieuwe plannen weven,
zelfs al is het maar voor even.

Het is dus leed waar ik toe dien
maar dit wordt niettemin gezien,
al weet ik niet uit welke post.

Zo wordt het oerwoud, dicht bebost,
uit de waan compleet verlost
zonder dat dit moeite kost.

vrijdag 28 september 2012

Diepte.

Ik loop kriskras door het land
met een kompas in mijn hand.
Soms sla ik linksaf, dan weer rechts-,
en denk: "ik heb die keuze slechts".

Toch kan ik ook eens blijven staan
en laten wentelen de maan
langs de lichte sterrenbaan.

Ik kan mijn plannen laten gaan,
ze weg zien drijven, hiervandaan,
en ontwaken uit mijn waan.

Als ik dan zak door de kanalen
kom ik uit in lege zalen,
in een ruimte, onbetreden,
waarin de richtingen vergleden.