woensdag 31 december 2014

Middenmoot.

Ik ben aan het gadeslaan
en tref mijn karakter aan,
het vooruitzicht op een baan
en de lange lindelaan.

De geboorte en de dood
en mijn levensvragen groot.
Met mijn cijfers in het rood
eet ik niet veel meer dan brood.

Zonder weerstand, slag of stoot,
lig ik rustig in de goot.
Vergezeld door volle maan
maak ik pap van mijn bestaan.

Niemand heeft daar nog iets aan
maar ik slurp de middenmoot.

dinsdag 30 december 2014

Een sprei.

Op een dag werd ik geboren
niet ver bij een sprei vandaan.
Ik kwam met mijn hoofd naar voren
en ving zo mijn leven aan.

Nu loopt het weer tegen 't eind.
Ik ben bijna weggekwijnd
ofschoon steeds de zon nog schijnt
als de duisternis verdwijnt.

Maar het eind komt naderbij
en opnieuw ligt daar een sprei
met zijn plooien en zijn dalen
als de dood mij hier komt halen.

Buiten staat een stevig briesje,
en de sprei heeft ook een biesje.

maandag 29 december 2014

Niemand.

Als ik aanneem: "God is dood",
dan zijn de gevolgen groot
want van mijn bestaan ontbloot
raak ook ik dan, tot mijn nood.

Want Wie God ten diepste is
geeft Hij tot getuigenis:
"Ik ben eeuwig Die Ik ben".
Dit is zoals ik Hem ken.

Als dit het geval niet is
geldt hetzelfde ook voor mij,
grijp ik als ik mij zoek mis,
ben dus van mijzelve vrij.

Daden zijn er evengoed
maar geen dader die ze doet.

Als men "niets persoonlijks" zegt
is dat helemaal terecht.
Niemand die het loodje legt.
Niemand is er immers echt.

zondag 28 december 2014

De rijke rabbi.

een navertelling. *)


Er was eens een rabbi, rijk,
badend in het aardse slijk,
die zijn weelde niet verheelde
maar die luidkeels mededeelde.

Dit ging velen veel te ver,
al te pralend blonk zijn ster.
Iemand sprak hem erop aan.
Toen gaf hij dit te verstaan:

"Weet dat altijd, dag en nacht,
Satan op zijn kansen wacht.
Speciaal in de woestijn
treft men hem het meeste aan
want daar staan de zielen, rein,
klaar om naar het licht te gaan.

Ik verberg mij in dit slijk
waardoor ik zijn dienaar lijk".


*) Uit: "Chassidische Vertellingen",
verzameld door Martin Buber.

Experiment.

Momenteel houdt men voor waar
dat sinds achttien miljard jaar
dit heelal is het geval:
dat is best een heel getal.

Niettemin is het een schijntje
op de oevers van de tijd.
Wellicht is dit nog maar een kleintje
in de ruimte, wijdgespreid,
waarin heel veel meer heelallen
talrijk zijn als sneeuwkristallen.

Wat men als verleden kent,
wie weet is 't experiment.
Het echte werk moet dan nog komen
waarvan men nu nog niet kan dromen.*)


*): 1 Corinthe 2:9,
"Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord
en in geen mensenhart is opgekomen..."

Gevonden.

"Wat was, wat is, wat blijven zal
is de bron van het heelal".
Dit gaat zichtbaarheid te boven
dus dan moet ik het maar geloven.

Ik vraag mij af of er iets is
dat aan deze eis voldoet
maar dat ik geheel gewis
wanneer ik maar wil ontmoet.

Zoiets heb ik nu gevonden
zonder dat het werd gezonden:
het is ruimte die er is,
ook als ik er niet naar vis.

Zij is er de hele tijd
en staat gelijk aan eeuwigheid.

vrijdag 26 december 2014

Status quo.

Ik ben nog steeds mijzelve niet
want wat ik het liefste wil
jaagt mij angst aan en ik ril
en mijn hoofd wordt als een biet.

Ik ben heus de kwaadste niet
maar ik houd mij liever stil.
Zonder dat ik mij vertil
schuil ik stiekem in het riet.

Roerloos sta ik als een reiger
en ben zo bepaald geen krijger
daar ik avonturen weiger
en het springen van de tijger.

Ik verschans me en ik steiger,
leef verholen als een hijger.