Telkens komt er onrust op
als een merrie in galop
of er trekt een briesje strak
rimpels op het oppervlak
van een glinsterende plas
die zojuist een spiegel was.
En ook ik blijf aldoor voelen
hoe in mij emoties woelen
of ik stel mij steeds weer doelen
en wil soms mijn woede koelen.
Zo verlies ik uit het oog,
diepe ruimte, wijd en hoog,
die de woeling laat begaan
en voor eeuwig stil blijft staan.
zondag 30 juni 2013
Onbegonnen.
Ik vermoed mij ergens in,
voor het einde, na 't begin,
en vergeet dat ik verzin
wat ik steeds zo teer bemin.
Want het fris en pril begin
heb ik zelf nooit zien beginnen
en het einde evenmin;
dat moet ik nog zien te winnen.
Wat er blijft is dit moment
maar dat is nog nooit begonnen.
Het is bij elk begin present
als bij het doven van de zonnen.
Voor de tijd geeft het geen cent,
die wordt per moment verzonnen.
voor het einde, na 't begin,
en vergeet dat ik verzin
wat ik steeds zo teer bemin.
Want het fris en pril begin
heb ik zelf nooit zien beginnen
en het einde evenmin;
dat moet ik nog zien te winnen.
Wat er blijft is dit moment
maar dat is nog nooit begonnen.
Het is bij elk begin present
als bij het doven van de zonnen.
Voor de tijd geeft het geen cent,
die wordt per moment verzonnen.
Ruis.
Ieder kan gedachten lezen
alsof ze geschreven staan
op het voorhoofd van elk wezen
als het schijnsel van de maan,
kent de stand van de planeten
en weet waar de sterren staan.
Dit vermogen wordt vergeten
in de nevel van de waan
en de stormwind van gedachten
die steeds waait zonder te wachten.
Er is gewoonlijk te veel ruis
die wat daar is overstemt.
Valt die weg dan raakt bekend
zelfs de wellust van een luis.
alsof ze geschreven staan
op het voorhoofd van elk wezen
als het schijnsel van de maan,
kent de stand van de planeten
en weet waar de sterren staan.
Dit vermogen wordt vergeten
in de nevel van de waan
en de stormwind van gedachten
die steeds waait zonder te wachten.
Er is gewoonlijk te veel ruis
die wat daar is overstemt.
Valt die weg dan raakt bekend
zelfs de wellust van een luis.
Verlichting.
Eenmaal was ik in een schuur
in een stil en donker uur.
Ik verlangde naar een vuur
want het was er zwart en guur
en ik wist niet waar ik liep.
Daarvoor ging mijn voet te diep
in een duister dat niet sliep
maar een golf van angst opriep
toen mijn teen een slang beroerde
die mij als zijn prooi beloerde.
Ik bleef staan, verstijfd van schrik,
als bevroren in zijn blik,
tot dat men het licht aan deed
en ik een touw zag op een kleed.
in een stil en donker uur.
Ik verlangde naar een vuur
want het was er zwart en guur
en ik wist niet waar ik liep.
Daarvoor ging mijn voet te diep
in een duister dat niet sliep
maar een golf van angst opriep
toen mijn teen een slang beroerde
die mij als zijn prooi beloerde.
Ik bleef staan, verstijfd van schrik,
als bevroren in zijn blik,
tot dat men het licht aan deed
en ik een touw zag op een kleed.
Planeet.
's Avonds, door de telescoop,
zie ik fraai de sterrenloop
en de weg van de planeten
in een ruimte niet te meten
en hun licht valt in de lens
als een welvervulde wens
van de opgewonden mens
met verlangens zonder grens.
Maar de hemel, diep en klaar,
is alleen maar even daar
zolang ik kijk of ernaar staar
of in herinnering bewaar
want zodra ik hem vergeet
heb ik geen weet van een planeet.
zie ik fraai de sterrenloop
en de weg van de planeten
in een ruimte niet te meten
en hun licht valt in de lens
als een welvervulde wens
van de opgewonden mens
met verlangens zonder grens.
Maar de hemel, diep en klaar,
is alleen maar even daar
zolang ik kijk of ernaar staar
of in herinnering bewaar
want zodra ik hem vergeet
heb ik geen weet van een planeet.
Slijtage.
Als ik hoor wat ik moet doen
is dat als een nieuwe schoen
die tegen mijn tenen knelt
en ze insnoert met geweld.
Maar al ga ik ermee lopen
gaat het leder langzaam open
en de neus, een harde koepel,
raakt gedeukt en wordt dan soepel.
Alles wat ik verder moet
neemt de vorm aan van mijn voet
en al ga ik hiermee door
blijft er van de schoen geen spoor.
Is hij eenmaal gans versleten
rest er niets meer om te weten.
is dat als een nieuwe schoen
die tegen mijn tenen knelt
en ze insnoert met geweld.
Maar al ga ik ermee lopen
gaat het leder langzaam open
en de neus, een harde koepel,
raakt gedeukt en wordt dan soepel.
Alles wat ik verder moet
neemt de vorm aan van mijn voet
en al ga ik hiermee door
blijft er van de schoen geen spoor.
Is hij eenmaal gans versleten
rest er niets meer om te weten.
Niet zien.
Valt er iets buiten bewustzijn?
Ik denk eigenlijk van niet.
Op de bodem van de Rijn
gebeurt heel veel wat men niet ziet
maar als ik erover spreek,
weet ik dat, zoals juist bleek.
W a t zich afspeelt moet ik raden
of ik moet naar diepten waden
om met eigen oog te zien
en te voelen bovendien
maar ik kan het ook vergeten
en zal het dan ook niet meer weten.
't Is als bij 't niet zien van mijn fiets.
Van zijn verblijfplaats weet ik niets.
Ik denk eigenlijk van niet.
Op de bodem van de Rijn
gebeurt heel veel wat men niet ziet
maar als ik erover spreek,
weet ik dat, zoals juist bleek.
W a t zich afspeelt moet ik raden
of ik moet naar diepten waden
om met eigen oog te zien
en te voelen bovendien
maar ik kan het ook vergeten
en zal het dan ook niet meer weten.
't Is als bij 't niet zien van mijn fiets.
Van zijn verblijfplaats weet ik niets.
Abonneren op:
Posts (Atom)