vrijdag 31 oktober 2014

Roes.

een navertelling.


Onderweg naar 't heilig land
liep het eenmaal uit de hand
voor een pelgrim die niet wou
zich vergrijpen aan een vrouw.

Want een ving hem met een touw
en die fluisterde toen gauw:
"Neem mij hier of slacht mijn geit
of drink je in vergetelheid."

Hij koos daarop maar voor de wijn
want dacht: "Dit zal zo erg niet zijn".

Hij bracht de beker naar zijn mond
maar keek toen lustig in het rond,
had met de vrouw een wilde tijd
en slachtte ook de arme geit.

Van de straat.

Ik verkeer in een spagaat
en geen enkel middel baat
om mij hiervan te verlossen.

Ook het kappen van de trossen
die mij binden aan het kwaad
is iets dat toch niet volstaat
want het voegt alweer iets toe
maar 't gevoeg ben ik juist moe.

Beter is dat ik dit laat
om te kijken hoe het gaat.

Dan zie ik een diepe droom
zich vertakken als een boom
die op losse bladen staat
en het houdt me van de straat.


Spoorloos.

Als ik goed kijk naar mijn geest
is die er alreeds geweest
op 't moment dat ik hem zie
met zijn barre poezie
en zijn optocht van gedachten
lopend door voorbije nachten.

Daardoor blijft dit zien steeds puur
van de hemel en het vuur
schijnend als in glad glazuur,
steeds verschuivend, uur na uur.

Als ik alles samenvat
stroomt het weg als door een gat
want het staat er en vergaat er
net zoals geschrijf in water.

dinsdag 28 oktober 2014

Ingewikkeld.

Als ik naar de wolken kijk
of de bomen om mij heen
zie ik een groot koninkrijk
met de zon als diadeem,
wat bestaat op dit moment
dat zijn eigen eind niet kent.

In het schitterende water
is geen vroeger en geen later
en de tijd is niet voorhanden
op de zee en in de landen.

Wat ik in't verleden dacht
voegt iets toe nog door de kracht
van 't geheugen dat ik heb
en mij wikkelt in zijn web.


Gouden kans.

Veel te vroeg en onverwacht
word ik wakker in de nacht.

Nu heb ik een gouden kans
om te kijken naar de dans
van emoties en gedachten,
naar mijn wensen en mijn klachten.

Overdag zijn dat er veel
en zij grijpen soms mijn keel
maar nu ik er klaar voor lig
gaan zij en verstoppen zich.

Juist als ik er goed op let
is't tot mijn verbazing net
alsof zij gaan smelten,
en staan niet op stelten.

zondag 26 oktober 2014

Dichtgeritst.

Ik blijf hier mijn leven lang
in hetzelfde lijf gevangen
totdat ik een ziekte vang
of, wie weet, zelfs word gehangen.

Hiervoor ben ik best wel bang.
Het doorkruist een diep verlangen
om er al maar door te zijn
zonder zorg, verdriet of pijn,
diep tot in de eeuwigheid
en ontheven aan de strijd.

Maar wellicht is dit een droom
die vervluchtigt als een boom
die ik waarneem in een flits
als ik 's nachts mijn tent dichtrits.



Ontheven.

Aan mijn einde daagt de dood,
onontkoombaar, peilloos groot.
Nader, nader komt hij steeds.
Ik zit in zijn pijplijn reeds.

Er is geen ontsnappen aan.
Zelfs al blijf ik stokstijf staan
zal hij mij toch komen halen,
moet ik het gelag betalen
voor het vieren van dit feest.
Dan is't mooi genoeg geweest.

Ik sta rustig op de stoep
en zie daar wat hondepoep
in het schijnsel van de maan.
Dit trekt zich de dood niet aan.