dinsdag 2 september 2014

Doorn.

Heel de wereld is een hoorn
vol van licht en overvloed.
Daarin dringt zich plots een doorn
en die wringt zich in het bloed.

Lieve hemel, wat een schrik!
Plotseling is er het ik.

Het lijkt meer dan wat het is
want is enkel maar een greep
uit de weidse wildernis,
niet veel breder dan een streep.

Als daardoor verlangens branden
zie ik niet hoeveel voorhanden
er in feite in hen is
waardoor ik hun rijkdom mis.

Komen en gaan.

Er valt nooit iets te beseffen
daar wat is er alreeds is
dus kan ik ook niet verheffen
voorval of geschiedenis.

Dit kan enkel door vergelijken
en dat zal illusie blijken
maar zelfs dat is wat er is
en dus is daar niets mee mis.

Hiervan ben ik steeds gewis:
zelfs de grootste hindernis
of de waan van het bestaan
komen zonder zorgen aan,
rijzend als de volle maan,
om op tijd weer te vergaan.


Bodemloos.

Het bestaan is onherhaalbaar,
nergens komt het ooit tot staan,
dit moment dus onbepaalbaar
want er komt geen einde aan.

Ook de wereld gaat voorbij.
Vroeg of laat komt alles vrij
want de muren vallen weg
zonder plan of overleg.

Dit is nu reeds het geval.
Zonder grond is het heelal.
Ik beschouw het als een bal
maar ik vind daarvan geen grens
hoezeer ik dat soms ook wens.

Bodemloos is ook de mens.

maandag 1 september 2014

Pluraal.

Ben ik niet oneindig veel?
Want zodra ik voetbal speel
ben ik gelijk een tegenstander,
voor een fin een buitenlander,
voor mijn eega echtgenoot
en voor een bacterie groot.

Voor een berg echter klein
slechts een stipje op een plein,
voor mijn ouders steeds een kind
en een weerstand voor de wind.

Voor mijn buurman ben ik buur,
voor mijn herinnering een schuur,
voor mijzelf alleen maar puur
zonder ogenblik of duur.

Deelbaar.

Alles wat ik om mij zie
is wellicht maar fantasie.
Dit geldt trouwens ook voor mij
want geen monnik heeft geen pij.

In dit groots en weids geheel
vind ik nooit een kleinste deel.
Hoe ik ook maar speur en kijk,
altijd is dat delen rijk.

Ook al heb ik er maar twee
brengt dat gelijk al met zich mee
dat een links moet zijn, een rechts,
elk heeft meer dan een kant slechts.

Vind ik echter nooit een deel
hoe bestaan er dan nog veel?

Mateloos.

Alles wat ik heb aanschouwd
is altijd weer opgebouwd
uit gedeelten, soms zo klein
dat ze niet te vinden zijn.

Maar dat maakt niet zoveel uit.
Neem bijvoorbeeld maar een ruit:
ook al is die nog zo fijn,
viermaal breekt zijn buitenlijn.

Dit geldt net zo voor de tijd:
altijd blijft het nog een feit
dat een tel een aanvang heeft
voordat die zijn eind beleeft.

Is er zonder kleinste maat
sprake van dat iets bestaat?

Nieuwe feilen.

Ik heb heel veel fout gedaan
en verlang naar straf
die in stilte wordt voldaan,
onder in mijn graf.

Daar leiden de zon en maan
mij niet van het boeten af
en mijn misdaad kan vergaan,
nutteloos als kaf.

Maar helaas blijf ik hier staan
want ik ben te laf
om hier echt vandaan te gaan
in gestrekte draf
en ga nieuwe feilen aan
die ik mij verschaf.