vrijdag 3 januari 2014

Oppervlak.

Heel dit leven is een schenking.
Daarom heb ik geen verdenking
want dat is mij heel wat waard,
net als een gegeven paard
en ik zoek er nooit iets achter
want geen beul of rechter wacht er.
Ik ben eigenaar noch pachter,
daardoor wordt mijn oordeel zachter.

Evenmin is er iets voor
en ik geef dus geen gehoor
aan wat er onaangemeld
uit vermeende diepte welt.

Alles is slechts oppervlak
zonder zolder onder 't dak.

donderdag 2 januari 2014

Fantoom.

Alles waar ik maar naar staar
is een beeld dat ik ervaar,
dat ik uit zijn nietzijn spaar
en alsmede evenaar
want het rijst aan gene zij
altijd op tegelijk met mij
net zoals een glasplaat deelt
met een mens zijn spiegelbeeld
en die onverminderd blinkt
als dat in zijn nietzijn zinkt.

Dan is het niet langer daar
en een lege plek blijft waar
eerst nog het fantoom verscheen,
ondoordringbaar als een steen.

woensdag 1 januari 2014

Plant.

Deze plant waar ik naar staar
is niet ouder dan een jaar.

Twee jaar terug was hij er niet..
Nu is hij tastbaar als graniet
en als ik hem goed begiet
biedt hij troost tijdens verdriet
ofschoon ik weet dat hij vervliet
en zal veranderen in riet.

Toch is hij volledig daar
en maakt zijn nietzijn zo onklaar

Hij verklaart daarmee de tijd
met zijn werk'lijkheid in strijd
en is nu de eeuwigheid
die haar eigen leven leidt.

Boek.

Ik houd mijzelve voor de mal
als ik spreek van het heelal,
wanneer ik tenminste voel
dat ik er iets mee bedoel.

Ik weet niet goed wat het is:
soms het kielzog van een vis
of  restanten van een dis,
spons waarmee ik weten wis?

Of is het een open doek
waarop ik de dingen zoek
als de woorden in een boek?.

Maar een boek is ook een ding,
iets dat niet verloren ging
maar weer opduikt in het boek.

Onbesuisd.

Ik verkeer in een spagaat
tussen lusten van formaat
en een even grote haat
tegen angels van het kwaad
die mij daardoor steeds doet zweven
tussen een uitbundig leven
en timide vrees en beven
voor wat mij te wachten staat
als ik mij zou geven
en ik mijn houvast loslaat.

Daarom blijf ik liever kleven
tot het bijna niet meer gaat
en ik weer word voortgedreven
tot een onbesuisde daad.

Laatste daad.

Heel de wereld is een zee
van dimensies en patronen
en zelfs dat is een idee
in het weefsel opgenomen
van slimme Penelope
die het elke dag laat komen
om het 's nachts weer uit te halen
net als slaap doet met verhalen.

Ik wil kijken hoe dit gaat
maar kom telkens weer te laat
omdat dit ik pas dan ontstaat
als de allerlaatste daad.

Wat gebeurt is al gebeurd
als het daarna word gekeurd.

Vijf.

Alles waar ik maar aan denk
is een uitkomst van faktoren
en tegelijk ook een geschenk
zonder verder toebehoren.

Neem maar eens het cijfer vijf:
het staat hier omdat ik 't schrijf
maar het is ook twaalf min zeven
en als een plus vier gegeven.

Het is het vierde priemgetal
en het is de helft van tien.
Als ik mijn hand spreid bij een val
zal ik zoveel vingers zien.

Toch blijft vijf alleen maar vijf
en heeft niet veel om het lijf.