zondag 4 augustus 2013

Schuit.

Er is nog altijd wel weer wat
waarmee ik vul het zwarte gat
dat helaas onvulbaar is
en daardoor voel ik steeds gemis
zodra ik even niets meer doe
en dek dan snel mijn ogen toe.

Ik kom er telkens weer op uit
als ik verschoten heb mijn kruit
en is gaan liggen het geluid.

Dan merk ik dat zich iets ontsluit
dat dichterbij is dan mijn huid.

Het is een bodemloze schuit
waaraan ik nooit heb kunnen wennen
want zijn wand kan ik niet kennen.

zaterdag 3 augustus 2013

Bestendigheid.

Alles gaat constant voorbij,
u bent daarin geheel niet vrij.
Wat vallen gaat staat in de rij,
verpulv'ren zal de laatste kei.

Het leven is als een rivier,
zijn water blijft geen moment hier
en voert met zich mens en dier,
dronken als een tierelier.

Slechts voor een strootje dat niets wil
staat dit hele stromen stil.
Met de golven drijft het mee
tot in de wereldwijde zee.

Zoekt u dus bestendigheid,
beweeg dan mee, verzaak de strijd!

Keerzij.

Ieder die een lichaam heeft
verdient diepe deernis.
Kijk naar 't koken van een kreeft
of als er gif in't meer is
waardoor de vis crepeert.

Geen schub blijft ongedeerd
terwijl de taaie zwaartekracht
het vlees houdt in zijn macht.

Maar zelfs als men gezond is
dan komt de dood gewis.

Maar kan het zijn
dat ik me toch vergis
en dat de zee van pijn
de keerzij van iets anders is?

Vergleden.

Als ik afzie van mijn plannen,
er in slaag mij te ontspannen
en verzaak aan elke spurt
wordt mijn zijn totaal absurd.

Er is dan niets meer te bereiken
en ik hoef niet eens te kijken
noch te zien of iets zal blijken
want er resten enkel rijken
die met niets zijn te vergelijken
en mij noden te bezwijken.

Zonder oorzaak of een reden
loopt een menigte door steden
want de toekomst en't verleden
zijn in dit moment vergleden.

Melkweg.

Alles is zolang het is,
als een spontaan gegeven.
Dit geldt ook voor een gemis
en voor een flits, al is't maar even.

Maar als het ophoudt te bestaan
is het geheel en al vergaan
behalve wellicht als een ding
in dromen of herinnering.

Soms ben ik de dingen moe
en doe dan mijn ogen toe.
Alles zinkt dan in een zee
en mijn achterdocht zinkt mee
met mijn argument en reden
in een melkweg diep beneden.

Helder.

"Wat zal ik vanavond eten?"
"Jan Farkin is vast bezeten."
"Ik ben mijn lucifers vergeten."
"Ruimte zelf is niet te meten."

Zo dienen zij zich steeds weer aan,
komen op om te vergaan
en ik kan ze niet weerstaan:
de gedachten en de maan.

Maar ik kan ze registreren,
sterker nog: ik kan beweren
dat dit hoe dan ook geschiedt
waardoor ik weet: "Ik wist iets niet
want ik was als in een kelder."
Dit zag ik dan toch weer helder.

Wie weet?

Ik zie altijd maar een deel
van een verondersteld geheel,
dat ik meestal voorkant noem
en als het gegeven roem
en dat deel is altijd heel,
daardoor is er niets te veel.

Draai ik nu een speelkaart om
blijf ik, als ik slim ben, stom
als men mij zou willen vragen
welke kleur de kant kan dragen
die van mij is afgewend
want voor mijn blik is't onbekend.

Wanneer ik mijn ogen sluit
maakt een bloem wellicht geluid.