maandag 3 december 2012

Gloed.

Ik ga zitten op een kussen
en wil zo de hartstocht sussen
die zich op de voorgrond dringt
en mij op de knieƫn dwingt.

Dit gaat heel niet goed intussen
en ik kan de brand niet blussen.
Door een vlammenzee omringd
word ik zelf van vuur een kind.

Wie ik was verdwijnt gezwind
als de passie voluit zingt
maar ik kan nog steeds beschrijven
hoe de rillingen mij drijven
tot een staat van felle gloed
die er verder niet toe doet.

Peer.

In mijn hand houd ik een peer
die ik met mijn blik vereer.
Hij is gemaakt van goud en sappig.
Ik word door zijn geuren happig,
drijf mijn tanden in zijn vlees
en verzwelg zo hoop en vrees,
raak bedwelmd haast door de lust
waarmee hij mijn lippen kust,
ben gevangen door de sprong
waarmee hij neerkomt op mijn tong.

Ik zak diep in zijn bestaan
waardoor mijn remmingen vergaan.
Hoe meer ik deze vrucht verover,
zoveel minder blijf ik over.

zondag 2 december 2012

Veelvuldig.

Mijn hand beroert mijn borst
waarop ik kruimels heb gemorst.
Zo raakt hij mijn hartstreek aan
wat soms gepaard gaat met een traan.

Maar dit is nu niet aan de orde.
Op dit moment is er geen horde
van gevoelens en verlangens
maar mijn hand maakt toch de tangens,
theatraal en expressief,
al is hij nu slechts kruimeldief.

Zo zijn er altijd wel gebaren
die men veelvuldig kan verklaren
maar die toch hun geheim bewaren,
waarnaar mens en goden staren.

Dieper.

Ik zit hier rustig op de aarde
tussen dingen die zij baarde
en voel mij zeker en gezond
op haar argeloze grond.

Ik neem aan dat ik niet droom
want ik voel haar doodgewoon
stevig drukken zonder schroom
en die vastheid is ook schoon.

Als ik echter dieper voel
weet ik niet meer wat het is.
Zonder reden, pad of doel,
is het slechts gebeurtenis.

Aanvankelijk nog zwaartekracht
verzonk ook die in diepe nacht,
gapend groot, gewijd en zacht,
ootmoed waarin inzicht lacht.

De aarde.

Ik zit stevig op de grond
en kijk rustig in het rond.
Onder mij voel ik de aarde.
Dat is van grote waarde.

Het is een stevig, goed gevoel
dat niet verandert als ik woel
in 't pakhuis vol herinneringen
aan zaken die ooit hingen
maar die vervolgens gingen
en alleen in mij nog zingen.

Die halfvermolmde dingen
laten mij mijn handen wringen
maar de aarde blijft bestaan
en kan al mijn zuchten aan.


Het geheugen.

Verbijsterend hoeveel er is
dat komt uit het geheugen.
Een vlieden zonder hindernis,
in brokken en in vleugen.
De bron van de geschiedenis
die blootlegt wat kan deugen,
en altijd aan het zieden is
tussen feit en leugen.

Het is een grote voorraadschuur
die alles kan bevatten,
verheven boven elke duur -
de tijd hoort tot zijn schatten.

Het is mijn metgezel en buur
en legt mij in zijn watten.

Gevoelens.

Er doet zich telkens weer iets voor
dat mij wil gaan verleiden:
een walnoot of een jongenskoor -
ik kan het niet vermijden.

Er zijn ook zaken die ik vrees:
verveling en de bullepees
of vrienden die gaan strijden
en die elkaar doen lijden.

Het ene wekt verlangen op,
het andere de haat:
gevoelens die ik vaak verstop
of soms de vrije teugel laat.

Ik zou mij tot hen kunnen keren
en hun kracht en glorie eren.