zondag 30 december 2012

Regenboog.

Ik zit boordevol emoties,
woelingen en vreemde noties
want ik houd ze meestal vast
als een goed gesloten kast.

Maar dan is er soms een lade
die laat vallen zijn facade
en een vloeiende parade
stroomt omlaag als een cascade.

Schuimend stort die naar beneden
van de toekomst naar 't verleden
door het open oog van 't heden
en verspreidt zich door de steden.

Maar tegelijk spant zich ook hoog
zorgeloos de regenboog.

Schok.

Ik vraag mij soms af wie ik ben
en wie het is die steeds zegt "ik".
Het is een grijpen dat ik ken,
haast sneller dan een ogenblik.

Maar verder valt er niets te vinden
en is't onmogelijk te binden.
Bij navraag blijkt het te verzwinden
als een kudde jonge hinden.

Toch is het wel direct weer daar
als ik in de spiegel staar.
Het komt plotsklaps met een schok
en lijkt tastbaar als een stok.

Wat ik beurtelings ervaar
zijn de hemel en een hok.

Dwang.

Chaos is te geef
maar ik vind dat slecht
en zo lang ik leef
meen ik dat ook echt.

Alles waar ik maar naar streef
en uit alle macht voor vecht
past in't kleed waaraan ik weef
en waarin ik gouddraad vlecht.

Ligt er dus een pluisje scheef
dan leg ik dat meteen weer recht.
Zo maak ik mij tot regelneef
die aan maat en orde hecht.

Ik weet niet wat mij hiertoe dreef
maar gemak is mij ontzegd.

zaterdag 29 december 2012

Kennis.

Alles is gemaakt van weten:
de ketens en de veten,
de tekenen en 't eten
en wat ik ben vergeten.

Ik zie dit over't hoofd
en heb mij zo beroofd
van grenzeloos geluk.
Mijn wereld is nu stuk.

Ik strompel heen en weer,
vergeet het elke keer.
Wat ik ook beweer -
't is pijnlijk en doet zeer.

Dit alles neemt niet weg
dat ik dit enkel zeg.

Indeling.

Ik deel de tijden in
in toekomst en verleden
waarmee ik steeds begin
vanuit dit sponzig heden.

Hetzelfde met de ruimte:
binnen hier en buiten daar,
de vlakte en de schuinte.

Ik neem het constant waar
maar ben het gelijk vergeten.

Dan is de wereld klaar
maar zonder nog te weten
en zijn de rapen gaar.

Ik trek daarop ten strijde
op die fictieve heide.


Opstanding.

Eens komt voor elk de boot
die ons zal overvaren
naar gebieden na de dood,
door niets te evenaren.

Of is het misschien andersom?
Dan zijn wij nu gestorven
en is het sterven als een bom
die heelt wat is bedorven.

Dan vliegt het licht en vloeit ineen
naar waar de zon de maan bescheen
en alles valt in duigen.

Dit lichaam is wellicht een speen
waaraan de goden zuigen.

't Is ongewis want er zijn geen getuigen.





Stilstand.

Ik wil eens kijken hoe iets gaat
en neem mij voor goed op te letten
om te zien hoe het ontstaat,
toevallig of door wetten.

Daarom ga ik terug naar af
en ben dan in het heden.
Hier is geen compliment of straf,
geen stuiver te besteden.

't Is al met al een beetje maf,
zo zonder toekomst en verleden.
De pijn en moeite die ik gaf
zijn plotseling vergleden.

Ik zie nog steeds niet hoe iets gaat
nu alles er al ligt of staat.