zondag 1 april 2012

Ziekte.

Soms loop ik met een ziekte rond
en ben niet meer gezond.
Dan is een oordeel snel geveld
en dat wordt dan ook doorverteld.

Er worden kuren voorbereid,
van hun slagingskans krijg ik bescheid.
Ik word geschoven in een koker
als door een zorgzame stoker.

Dan lig ik dagenlang in bed
tussen een sonde en pipet.
Met de verpleegster maak ik pret
en ik red het nog steeds net.

Natuurlijk komt ook eens de dood
maar, wie weet, is die dan dood.

"Geb' mir meinem Jesu wieder". *)

Letters veranderen in noten
en worden in ons oor gegoten
waardoor gevoelens zich ontbloten
die anders liggen opgesloten
in de diepten van het hart
dat zich afwendt van de smart
waarop dit ondermaanse drijft,
door de commercie ingelijfd.

De zilverlingen in de tempel
drukken even niet hun stempel
wanneer de fluiten en violen
hen bevrijden uit hun holen
in de goedbewaakte kassa's
en hen doen rollen door de massa's.

*):  Aria van Judas Iskariot uit de Matthäus Passion
      van Johann Sebastian Bach. (1685 - 1750)

Leonardo.

Uw bergen rijzen op als golven
in chiaroscuro bedolven.
Uw Madonna in de Grot
overtreft het werk van God
ware't niet dat Uw penseel
onderdeel is van't geheel.

Zo hebt U zich in dienst gesteld
van wat uit stof komt opgeweld
en schenkt U ons de gunst
van de diepte van Uw kunst
die gestreng is en doordacht
en daardoor onnavolgbaar lacht
vol vergeving en genade
voor de balling als een gade.

Verzonnen.

Er zijn soms van die dagen
dan ben ik uit het veld geslagen
door een oneindig aantal vragen
waarop een antwoord niet komt dagen.

Zoals: "Wat zal er van mij worden?"
of: "Waar kom ik vandaan?"
Dit zijn niet te nemen horden
al gaan zij mij ten zeerste aan.

Maar wacht: de vragen zo gesteld
laten de vrager onvermeld.
De geest die zo zichzelf kwelt
en door speculaties snelt
heeft zichzelf verzonnen
maar is nooit begonnen.

Herhaling.

Ik heb nu twee jaar lang een sjaal
die als een bont gekleurd foedraal
dit tijdvak hult in streepjes
van zijn ineengevlochten reepjes
en ik herinner mij een broek
die, gemaakt van zeegroen doek,
fladderde rondom mijn benen
boven sandalen om mijn tenen.

Zo glijdt mijn lichaam door omhulsels
maar de atomen zijn slechts vulsels
die, gekomen en gegaan,
op hun beurt slechts kort bestaan.

Gevangenen van hun herhaling
zijn zij als haren van een paling.

Intentie.

Al heb ik ook een cijfer met zes nullen
als mijn batig saldo staan,
zolang ik vasthoud aan mijn spullen
grijnst mij diepe armoê aan.

Als een rondspiedende gier
gluur ik kil door elke kier
om te verscheuren nog een dier
waarop ik mijn lust botvier.

Maar ben ik arm als een rat
en wil ik geven als ik had
dan maakt ook dat mij nu al rijk
en geeft van grote weelde blijk.

Zo bepaalt dus mijn intentie
dat ik een hok of een paleis zie.

Testament.

Het is belangrijk te vertrouwen
maar dat valt niet altijd mee.
Tevergeefs wens ik te bouwen
in een grondeloze zee.
Ik wil dingen zeker weten
en daarvoor vecht ik als bezeten.

In dit zwoegen en dit zweten
kan ik makkelijk vergeten
dat het doel waarnaar ik streef
er al is terwijl ik leef.

Dat is dit huidige moment
dat constant in zichzelf verglijdt.
Het is zijn eigen testament
en het zegel van de tijd.

Verheven boven strijd en spijt
is het gemaakt van eeuwigheid.